‘Yo peepz! Fawaka?’ ‘Boeng boeng, met jou?’‘Moah, ik heb stroggel met die chick weetje.’

Een kleine greep uit een dagelijks gesprek dat ik vanuit mijn raam in ‘Roffadam’ kan horen. Straattaal hoort erbij. Toen ik een paar weken geleden mijn weekend aan mijn moeder beschreef als ‘chill’, praatte ze me na. ‘Oh ja Claire, was het chill? Was het ook relax?’

Hoe we op straat praten

Elke groep heeft zijn eigen taal. We kennen straattaal maar ook ouderentaal (‘jottem, wat een enige avond!’) of studententaal. (‘Hey lul! Nog geneukt?’ ‘Ja gozer, bruut man, nogal heerschend!’) Taal geeft dus aan in welke sociale groep je je bevindt. Hondenmensen bijvoorbeeld, praten over een ‘lege hond’. Niet drachtig dus. Naast groepstaal bestaat er ook de individu. Vandaag schrijf ik over de individu.

De individu

Vriendin Y. heeft een tijdje gedatet met een jongen. Deze jongen werd naar verloop van tijd door ons genoemd zoals hij praatte. We noemen hem voor het gemak maar even Jan. Jan zal zich na het lezen van mijn column ongetwijfeld herkennen. We hopen dan maar dat Jan dit niet leest. Goed, Jan dus. Jan heet bij ons ‘ Ji-Jo-Jan’. Jan is groot fan van populair taalgebruik voor studenten. Ik gebruik het woord populair omdat hij waarschijnlijk denkt dat het interessant klinkt. Zo gaat Ji-Jo-Jan graag naar de kepjesdokter om zijn wilde manen te laten temmen. Of gaat hij pi-pa-pilsen op de kri-kra-kroeg. Als hij thuis komt wil hij graag naar zijn bi-ba-bedje. Irritant? Inderdaad. Punt is gemaakt. Gelukkig viel vriendin Y. niet van haar geloof en bleef ze zichzelf. Weliswaar gillend gek geworden. Maar wat als Ji-Jo-Jan op de straat belandt? ‘Yi-ya-yo peepz! Fi-fo-fawaka?’ Zal hij niet gelijk een vuist op zijn gezicht krijgen? Nog interessanter wordt het als Jan wat generaties ouder wordt:‘Hallo daar Jan! Dat lijkt een eeuwigheid geleden. Hoe staat het ervoor?’ ‘Ji-ja-jottem! Het was een zalige dag. Ik heb een leutige middag gehad bij de kepjesdokter. Ik moest mijn wi-wa-wilde manen laten temmen. Het was een hee-hee-heerschend gesprek! Ik moet nu helaas gaan. Ik moet naar het ziekenhuis. Mijn ri-ra-rollator rolt niet meer zo lekker. Later lul!’

Arme Jan, ik hoop van harte dat je dit niet gelezen hebt. Of misschien ook wel, je kan er nu nog iets aan veranderen.